woensdag 1 februari 2012

Vakken vullen: Toezicht is niet altijd een oplossing

Er zijn van die zaken die zo vanzelfsprekend zijn dat we vergeten dat ze belangrijk zijn. Zo willen we elders democratie brengen, maar vergeten het belang van betrouwbare onafhankelijke instituties en democratische cultuur en gezindheid. We hebben een hele geschiedenis met het uitvinden van scheiding van machten en koesteren rechten van minderheden. Maar na verloop van tijd blijft alleen de roep om democratie. Zo gaat dat ook met de huidige roep om toezicht. We vergeten belangrijke zaken, gewoon de dingen goed willen doen, beroepstrots en ethiek.

“Stel de overheid aansprakelijk bij onvoldoende toezicht”, “onvoldoende toezicht in de kinderopvang”, “onvoldoende toezicht in zwembaden”, ik heb maar een paar recente koppen gepakt. Duidelijk is dat toezicht in ons systeem zit, het is de vaste vraag van de pers: was er wel toezicht? Het toenemend belang van toezicht komt uit de onmogelijkheid om dingen vooraf allemaal vast te leggen. Omdat we niet alles kunnen regelen, moeten we organisaties ruimte geven om zelf te besluiten. Dat geeft een onzeker gevoel en daarom is er met die extra ruimte ook altijd de deal dat er meer toezicht komt. Inmiddels hebben we de NMa, DNB, AFM, OPTA, diverse inspecties: bedrijven hebben met meerdere toezichthouders te maken. Ik ben de laatste om de waarde van de toezichthouders niet te zien. Maar mijn punt is dat we ook dingen zijn vergeten die vanzelfsprekend zijn. Soms is toezicht opgetakeld omdat minder dan 5% van de organisaties in de problemen komen en heeft 100% van de organisaties er last van. Ook dat kan redelijk zijn, maar is toezicht altijd het beste antwoord bij risico's op fouten?

Het nadeel van toezicht is dat organisaties niet meer gaan voorkomen dat zaken fout gaan, maar dat de verantwoording goed geregeld is. De accountant moet het tekenen, de toezichthouder moet die informatie krijgen. Het doel is compliance geworden. Toen ik bij een grote organisatie werkte was er een beleid om beperkt de auto te gebruiken. Had je niet het openbaar vervoer gebruikt, dan moest je bij je declaratie schriftelijk aangeven waarom niet. Een collega van mij moest elke twee weken voor dezelfde activiteit met de auto. Hij kreeg iemand van financiën op bezoek dat een declaratie niet klopte. Hij had niet bijgeschreven waarom hij de auto had genomen. Hij schreef alsnog iets op en vroeg of het zo goed was. Ja, zo was het goed, was de reactie. “Maar wat staat er dan?”, was zijn vervolgvraag. Dat was niet te lezen, maar het was toch goed. Als er maar een vakje was ingevuld. Dat bleek het belangrijkste: dat het vakje gevuld was, niet dat het autogebruik teruggedrongen werd. Dat komt door de afnemende waarde van meer toezicht.

We zijn in Nederland gezegend met weinig corruptie en verschrikkelijk veel is hier goed geregeld. Dat komt echt niet alleen door toezicht. Het komt ook door rechtschapendheid, trots op het goede werk, trots op vakmanschap en afkeer van inhaligheid, zelfverrijking en protserige aanstellerij. Elkaar bij de les houden kan niet altijd, maar is soms zeer effectief (zie mijn artikel over burgertoezicht). We zijn in Nederland erg calvinistisch, soms is dat lastig, maar vaak helpt dat meer dan tien toezichthouders.
Je kunt het ook moderner zeggen. We hebben in Nederland veel toezicht geinternaliseerd, we letten zelf goed op en onze omgeving corrigeert ons. Dat vergeten we, terwijl het misschien de basis is van ons succes.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen