dinsdag 22 juli 2014

Stresstest en Chief Society Officer voor financiele instellingen


De Nederlandse Bank houdt toezicht op de banken en verzekeraars en moet op tijd signaleren dat ze niet zomaar failliet gaan of op een andere manier omvallen. Een van de middelen om te kijken of bankiers en verzekeraars bestand zijn tegen bijzondere tegenwind is de stresstest. Maar is er niet een andere stresstest nodig? Op winstverleiding? En moet dan in de Raad van bestuur van de instelling een verantwoordelijke voor maatschappelijk acceptabel functioneren zitten? 

In de stresstest test de toezichthouder hoe een dienstverlener kan omgaan met een zwaardere belasting dan gebruikelijk, vaak tot het punt dat het systeem het begeeft. Het doel hiervan is te onderzoeken wat er gebeurt en waar de grens ligt. In de wereld van banken en verzekeraars is dat het bekijken wat er zou gebeuren als de rente plotseling daalt of stijgt of als een belangrijke afnemer failliet gaat.

Het is sinds de crisis gebruikelijk geworden om dergelijke stresstesten af te nemen. Daarbij wordt altijd een extreme variabele gebruikt waar de toezichthouder (en de verzekeraar zelf) kan rekenen. Inmiddels hebben de financiele instellingen hun vermogenspositie versterkt, in oktober zal er wel weer een test komen. De vraag is of er niet op dit moment een andere stresstest nodig is.

Kunnen we weer vertrouwen op financiële instellingen?

Veel gebeurd, maar is dat ge"zekerd"?
We hebben gezien dat er een grote crisis was met omvallende hypotheekbanken en zakenbanken. Daardoor was het vertrouwen in financiële instellingen geschaad. De commissie Maas adviseerde over de toekomst en concludeerde dat banken "het primaat weer moeten gaan leggen bij het belang van de klant". Daar is ook aan gewerkt, ik ken dan de verzekeraars iets beter en die zijn inderdaad aan de slag gegaan om de dienstverlening te verbeteren. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft de verzekeraars verplicht om bij nieuwe producten en bij oude verzekeringsproducten te testen of de producten deugen (de product approval procedure en de product approval review procedure). Ze werken nu ook aan:
1. Zichtbaar maken van verbeterde productkwaliteit en dienstverlening.
2. Verbeteren klantcommunicatie.
3. Zichtbaar maken maatschappelijke betrokkenheid.

Er is veel gebeurd, de vraag is of dat alles ook goed gezekerd is tegen stress. Eigenlijk zou je moeten testen niet of de verbeterde productkwaliteit zichtbaar is, maar of de financiële instellingen nu wel bestand zijn tegen een zwaardere belasting. Een stresstest dus. Maar wat is die zwaardere belasting? Dat is niet alleen een lage of hoge rente, toch? Terug naar de commissie Maas. De financiële instellingen waren niet bestand tegen de verleiding van hoge winsten door niet meer de klant, maar de verdiensten centraal te stellen.

Zware belasting testen, welke zware belasting?
De aandelenlease-affaire, waar nu nog steeds ergernis over is, was een duidelijk voorbeeld van zwaardere belasting. Er was namelijk een nieuwkomer die de nette opstelling van banken en verzekeraars aan zijn laars lapte en niet in het belang van de klant werkte. Bij de banken was dat bijvoorbeeld de DSB bank. Bij de verzekeraars kwamen de spaarverzekerproducten van nieuwkomer Legio Lease en Engelse nieuwkomers als Falcon Leven al in de jaren 90 op. Ik schat zo rond 1995. De stress was dat de nieuwkomers veel geld verdienden, veel meer dan de traditionelen. En dan gaan aandeelhouders ook nog zeuren dat er markt verloren ging aan de nieuwkomers. De klanten, die het product niet doorzagen, waren ook nog heel tevreden over die vriendelijke verkopers. 

In 1999, 2000 en 2001 constateerde de AFM dat de reclame-uitingen van diverse aanbieders niet voldeden aan de regels. De rendementen werden te hoog voorgesteld, de informatie over de kosten was beneden de maat. Toen de markt van aandelen in elkaar zakte, werd duidelijk wat er gebeurd was. Mensen die dachten te sparen bleken te beleggen met geleend geld. Dat leverde nu eenmaal lekker veel geld op! 

Nu is de dienstverlening dus beter. Maar wat ik zou willen weten is niet of de huidige dienstverlening op peil is, die was in 1990 ook redelijk, in elk geval in het belang van de klant. 

Wat gebeurt er als een nieuwkomer de regels aan zijn laars lapt? Na 1990 gingen de banken en verzekeraars de concurrentie aan met nieuwe aanbieders die de belangen van de klant niet centraal stelden. De traditionele financiële instellingen waren dus niet zozeer getroffen door lage rente, maar door concurrenten die zich niet aan de ongeschreven regels hielden. Ze waren niet bestand tegen de verleiding van hoge winsten. Dat zou de toezichthouder moeten testen. Niet de rente, maar de verleiding van hoge winsten als zware belasting van het waardensysteem. Zijn de financiële instellingen daar nu tegen bestand?? Bij de Rabo waren ze blijkens de LIBOR affaire ook niet bestand tegen de verleiding van hoge winsten. Daar was het niet de concurrentie, maar juist een gezamenlijke afspraak die grote winsten bracht.

Toets de maatschappelijke borging
Dan moet er niet gekeken worden naar de accountant, maar naar de druk van de winsten om het klantbelang niet meer centraal te stellen. Is in de hoogste regionen verankerd dat er iemand is die de macht heeft om te constateren dat de grenzen overschreden worden? Noem het niet een Chief Financial Officer, maar een Chief Society Officer. En geef die de macht om te toetsen op de verleiding voor grote winsten. 

Anders ben ik nog niet overtuigd. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen