dinsdag 15 september 2015

Een les uit 1955 voor wijkgericht werken

De blog toegepaste socialewetenschap verwees laatst naar de socioloog Jacques van Doorn (1925-2008), die in 1955, in een tijd van optimistisch modernisme, betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. De socioloog betoogde dat “de wijkgedachte” een morele ondertoon had. De wijkgedachte was niet gebaseerd op sociologisch onderzoek, maar op een "afgrijzen van het chaotische, mechanische en materialistische van de grote stad". De blog van Henk de Vos (lees dat interessante blog!) geeft aan dat het afscheid van de wijkgedachte een misvatting was.

Van Doorn probeerde de "romantische visie" uit te bannen dat de buurt nog een sociale functie zou kunnen hebben, stelt de blogger. Henk de Vos schrijft nu dat we, met een discussie in de Tweede Kamer over buurtrechten weer terug zijn bij de wijkgedachte. Er hoefde geen afstand genomen te worden van de sociale functie van de buurt, want “hoe anders is de feitelijke ontwikkeling geweest. Een ontwikkeling van alleen maar groeiende aandacht voor het sociale belang van de buurt. En voor het belang van sociale contacten voor welzijn en gezondheid

De wijk niet voor iedereen het (zelfde) integratiepunt
Toch doet hij daarmee Jacques van Doorn onrecht. Zo geeft Van Doorn bijvoorbeeld aan: “sterker dan men denkt, verschilt de positie van man en vrouw in de gemiddelde stedelijke woonbuurt”, hij geeft dan aan dat de wijk niet het integratiepunt van de man is, maar meer van de vrouw. Hoewel sindsdien de positie van de vrouw flink is veranderd, zien we nog steeds dat er verschillen zijn in integratiepunten. Niet alleen verschillen tussen mannen en vrouwen, maar ook tussen verschillende leeftijdscategorieën, status en zoals Van Doorn het noemt herkomstgroepen. Dat punt kan nog steeds gemaakt worden en is voor alle beleidsmakers, zeker ook die zich richten op de wijk een belangrijk aandachtspunt. Verschillende groepen wonen verspreid door de stad en vaak langs elkaar heen.

Tribalisering: niet een melting pot, maar een salade van groepen die niet mengen
Zo stelt toekomstkijker Adjiedj Bakas dat er een trend is “Van natiestaat tot nieuwe tribalisering”. Hij ziet verschillende 'stammen' die elk op een eigen manier willen wonen. Je zou met Van Doorn kunnen zeggen: er zijn verschillende groepen van mensen met elk hun eigen integratiepunt. Zo wonen senioren graag bij elkaar zonder teveel lawaai en stress van jachtige jongeren. Jonge gezinnen wonen ook graag bij elkaar in kindvriendelijke buurten. Singles en homo's wonen graag in centra van grote steden. Bakas stelt dan ook dat de multiculturele samenleving geen smeltkroes is geworden, maar dat Nederland een saladeland is: de diverse groepen worden niet gemengd, maar leven naast en door elkaar zonder met elkaar te versmelten.

Verschillende groepen in verschillende wijken
Dit verschil vraagt ook aandacht bij de communicatie door de gemeente. Wat voor mensen wonen er in de wijk, wat spreekt hen aan, hoe kunnen ze het best benaderd worden. In egale wijken zal dat ook redelijk lukken, maar soms leven binnen een wijk verschillende groepen naast elkaar. Het wijkbudget of het buurtrecht is dan niet iets dat logisch aansluit bij de opbouw van de wijk, maar probeert verschillende groepen bij elkaar te brengen om uiteindelijk samen te beslissen. En dat is een hell of a job! Ik merk in mijn eigen wijk dat het heel lastig is om een vorm te vinden die én de eerste generatie Nederlanders én de tweede generatie Nederlanders én de jonge 'autochtone' gezinnen en de ouderen aan te spreken. De vorm van besluiten, de beste vergaderplek, de manier van agenderen: alles is anders. Maar ook de interesse is verschillend! De een heeft een oriëntatie op de wijk, de ander op het werk of de geloofsgemeenschap. Dat is een mooie uitdaging en als het lukt verschillende groepen bij elkaar te brengen heeft dat een enorm goede uitwerking op de wijk. Simpel gezegd: iedereen wordt er gelukkiger van om mee te kunnen bouwen aan de eigen lokale omgeving.

Buurtrechten hebben ook een doel
De buurtrechten kunnen een mooie stap vooruit zijn om mensen meer greep te geven op hun eigen buurt. Maar het is ook een instrument waar we allemaal nog mee moeten leren omgaan. Het is ook niet voor iedereen een instrument dat vanzelfsprekend aansluit bij zijn eigen oriëntatie.

Het is dus een socialiserend instrument en probeert bij te dragen aan het debat met elkaar en aan de democratische gezindheid. Daar is niets mis mee, de RMO pleitte al jaren geleden voor het bevorderen van de democratische gezindheid. Maar wel goed om in gedachte te houden: niet elke groep heeft de wijk als oriëntatiepunt voor zijn leven. Soms is werk, de grote stad, de eigen religieuze groep of wat dan ook het belangrijkste oriëntatiepunt.

Meet de vooruitgang!
Het kan dus heel nuttig zijn om na verloop van tijd na te gaan of de doelen die we willen bereiken met de buurtrechten wel gehaald worden. Verbetert het inderdaad het leven in de wijk, worden de mensen er (zoals ik altijd stel) gelukkiger van? En blijkt het mogelijk door die verschillende oriëntaties heen te breken? Of is dat te hoog gegrepen?  

Nuttig om toch even de les uit 1955 erbij te halen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen