woensdag 16 januari 2013

Organisatiekracht buurten niet af te dwingen

Steeds vaker wil de overheid bouwen op eigen initiatief van bewoners. Ik ben daar erg voor en zie de voordelen. Maar het is veel minder eenvoudig en zeker niet voorspelbaar te organiseren vanuit de overheid. De belangrijkste les is dat de overheid (als men het vanuit de overheid wil stimuleren) onderscheid maakt naar de organisatiekracht en soort organisatiekracht die in de buurt aanwezig is.

Bewoners runnen buurthuis
Buurtbewoners in Utrecht runnen in De Nieuwe Jutter bijvoorbeeld hun eigen buurthuis. Het is geboren uit verzet tegen de sluiting van het buurthuis. De bewoners hadden overigens al een bewonersorganisatie. Ze bereikten, dat samen met woningcorporatie Bo-Ex en de gemeente Utrecht werd gewerkt aan een nieuwe opzet voor De Jutter. Bo-Ex kocht het pand en de wijkbewoners verenigden zich in een beheergroep. En die zorgt nu voor de dagelijkse gang van zaken in De Nieuwe Jutter.

In St Annaparochie sturen de buurtbewoners op inhoud mee met het multifunctioneel centrum. Bewoners kiezen het bestuur en het bestuur bepaalt wie er mag huren en wie niet. Zo bepalen de bewoners de mix van organisaties die in het gebouw zitten en leggen daarmee de basis voor eventuele samenwerking. Er is een bibliotheek, muziekschool, jongerenruimte, ouderenruimte, fysiotherapeut, werkplekken voor sociaal cultureel werk, bar en grote zaal. In de buurt wonen ongeveer 10.000 mensen. Hier is de rol van de bewoners wezenlijk anders dan bij De Nieuwe Jutter.

Leefbaarheidsactiviteit en groenperkjes
In andere buurten mag je blij zijn als je met een leefbaarheidsbudget iets van de grond krijgt. Of wat ook erg succesvol kan zijn: je geeft bewoners de ruimte om stukjes groen zelf te beheren. Deze initiatieven vergen minder organisatiegraad, zijn op de korte termijn gericht en dragen bij aan de samenhang in de buurt. Maar het is hier de gemeente die met de ideeën komt.

Wat kan aanslaan in de buurt?
Hoe kun je nu beslissen welke initiatieven passen? Nog even los van de vraag of het initiatief niet uit de bewoners zelf zou moeten komen is er een interessante indeling die Hurenkamp, Tonkens, & Duyvendak ooit aangaven. Zij maken onderscheid naar gemeenschappen met veel en weinig intern contact en veel en weinig extern contact. Je kunt bijvoorbeeld een gesloten gemeenschap hebben met veel intern contact, dan past een cooperatie, waarbij de overheid betrokkenheid toont maar waar de subsidie niet van het grootste belang is. Erkenning van de eigen kracht van organisaties is veel belangrijker. Een buurt waar weinig intern en weinig extern contact is moet het juist hebben van op korte termijn gerichte initiatieven vanuit de overheid.Doelen voor de lange termijn zijn daar veel moeilijker af te spreken omdat er te weinig vertrouwen op eigen kunnen is (en waarschijnlijk voor de korte termijn terecht).

In schema hier: 

Uit het schema blijkt dat in moeilijke buurten - waar weinig interne samenhang is en mensen geen eigen organisaties hebben en ook weinig extern contact is - , het overdragen van verantwoordelijkheid aan de buurt al snel faalt. 

Organisatiekracht is niet overal aanwezig en ontstaat niet waar geen vruchtbare bodem is. 

Juist waar geen vruchtbare bodem is, is extra inspanning van de gemeente nodig. Bezuinig je in zwakke buurten op buurthuizen en voorzieningen, dan is de kans groot dat de aanwezige infrastructuur verdwijnt. Juist daar zullen bezuinigingen een soort vliegwieleffect teweeg brengen. Daar valt de bezuiniging extra zwaar uit. 

Waar wel vruchtbare bodem is, hoeven bezuinigingen niet zwaar toe te slaan. Maar daar zullen de bewoners extra sterk zijn in het opzetten van een lobby om het geld te behouden.

Verschil maken is in de toekomst van het grootste belang. Dat worden lastige keuzen.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen